Deze pagina: 8.Meten is weten

8. Meten is weten
8.1 Temperatuur
8.2 Vochtigheidsgraad
8.3 CO²-gehalte
8.4 Water
8.5 Ph-waarde
8.6 EC-waarde

8. Meten is weten
Er zijn drie soorten factoren die samen bepalen hoe voorspoedig een wietplant zal kunnen groeien en bloeien. Als eerste zijn dat de groeifactoren die met elkaar kwantitatieve groei- en bloeimogelijkheden van de plant bepalen. Met andere woorden: de factoren die bepalen of de wietplanten zo groot en vol worden als ze horen te worden.
Tot de groeifactoren worden onder meer gerekend:
lichtintensiteit ( aantal lampen en hoeveelheid Watt )
watervoorziening en voeding
CO²-gehalte in de lucht
temperatuur in de ruimte
luchtvochtigheid

Daarnaast zijn er groeiomstandigheden, die samen de kwalitatieve mogelijkheden van een plant bepalen. Het effect van de groeiomstandigheden zal vooral tot uitdrukking komen in de prestaties van de plant, zoals veel of weinig, grote of kleine toppen, veel of weinig THC. Met andere woorden: zijn de planten zo potent als ze horen te zijn?
De factoren die vooral op de kwaliteit inspelen zijn onder andere:
belichtingsduur
temperatuur in de ruimte
luchtvochtigheid
hoeveelheid en soort voedingsstoffen
het soort genetica

Cannabis is een levenskrachtige plant. De groeisnelheid is bijna met het blote oog zichtbaar. Er is echter een geheel van omgevingsfactoren en voedingsmiddelen nodig om te kunnen groeien. Zoals hierboven is omschreven met voldoende licht, koolstof, waterstof, zuurstof, een zachte temperatuur, water, een gelucht substraat ( aarde) en voedingstoffen: deze factoren zijn belangrijk. Dat wil zeggen dat als een ervan wordt verwaarloosd, de plant niet meer groeit. Je moet dus alles in voldoende mate verstrekken. Als er onvoldoende licht , CO² of water is , groeit de plant niet meer ..

Het proces waardoor de plant zich ontwikkelt, heet fotosynthese. Dankzij chlorofyl ( het groene pigment van de plant ) kan deze plant door zonne-energie uit licht te absorberen, CO² omzetten tot glucose (suiker). Met deze suikers en met minerale zouten, die uit de aarde worden ontrokken, maakt de plant haar eigen grondstof. In de buitenlucht zorgt de natuur voor alles, met de pieken en dalen die dat met zich meebrengt. Binnen moet de wietkweker de natuur een handje helpen met technische hulpmiddelen.
Als hij/zij daarin slaagt, geeft hij/zij de plant op elk moment de optimale leefomstandigheden, wat in de buitenlucht vaak niet het het geval is.

De primaire behoeften van een cannabisplant
Licht: de plant heeft licht nodig om C0² te kunnen opnemen. Bij binnenteelt vervangt de natriumdamplamp de zon. Bij onvoldoende licht groeien de planten in de lengte en zonder blad en zijn ze niet levensvatbaar.

C0² en zuurstof: CO² en zuurstof zitten in de lucht en worden gebruikt voor de fotosynthese. De aanvoer wordt verzorgd door de ingangs- en uitgangsventilatoren en de afvoerventilator. Die installatie wordt ook gebruikt om de temperatuur en de vochtigheidsgraad te regelen. De lucht kan ook kunstmatig worden verrijkt met CO². Als er CO² ontbreekt, kan er geen fotosynthese meer plaatsvinden.

Water: water zit in de lucht en in het substraat. In de plant is het een transportmiddel voor voedingsstoffen. Gecombineerd met CO² vormt het de voeding voor de plant. Binnen moet de kweker handmatig de planten begieten of een automatisch bevloeiingssysteem installeren. Cannabis heeft veel water en zuurstof nodig.

voedingsbodem of substraat: Zuurstof wordt aangevoerd door ventilatie. De zuurstof moet ook de wortels kunnen bereiken, zodat deze zich goed kunnen ontwikkelen. Zorg daarom altijd voor een luchtig substraat, zowel bij het kweken op aarde als bij hydrocultuur. Zonder goede ventilatie stijgt het risico op schimmelvorming.

voedingselementen: Je kunt de voedingselementen op verschillende manieren aan de plant verstrekken : of langzaam en geleidelijk via meststoffen en bodemverbeteraars in de aarde , of snel en nauwkeurig met behulp van meststoffen opgelost in het bevloeiingswater , of bij hydrocultuur door middel van een voedingsoplossing. Het is ook mogelijk door bestuiving de planten te voeden via de bladeren.

8.1 Temperatuur
Alhoewel er verschillen tussen de variéteiten bestaan, ontwikkelt cannabis zich het best tussen 20 °C en 25 °C.
Onder 20 °C vertraagt het metabolisme en bij 15 °C – 16 °C wordt het geblokkeerd. Zulke temperaturen komen s’nachts wel voor . Dat is niet erg, want de fotosynthese vindt overdag plaats. Een verschil van 10 °C tussen de belichtingsperiode en de donkere periode is loetlaatbaar. Grotere verschillen veroorzaken stress aan de plant. Boven 25 °C versnelt het metabolisme. De plant verbruikt meer water, meststof en CO². De hoeveelheid CO² in de lucht moet dan worden verhoogd. Omdat de temperatuur te controleren is een thermometer nodig. Sommige modellen hebben een geheugen voor minimum en maximum temperaturen. Dat is praktisch wanneer je niet de hele dag thuis bent.
Een te warme ruimte moet afgekoeld worden. Dit gebeurt met dezelfde afzuigventilator die ook voor de luchtverversing zorgt. Te warme lucht laten we afzuigen en vervangen door koelere lucht van elders. Om de temperatuur automatisch op het gewenste niveau te houden kan een thermostaat dienst doen als temperatuur-schakelaar. Die thermostaat moet dan wel omgekeerd kunnen schakelen, dat wil zeggen dat hij moet aanslaan als de temperatuur te hoog wordt.

8.2 Vochtigheidsgraad
De vochtigheidsgraad moet tussen 40% en 70% liggen.
De vochtigheidsgraad wordt met een hygrometer gemeten. Je kunt dit apparaat aanschaffen in mechanische of elektronische uitvoering. Elektronische hygrostaten zijn praktischer in gebruik, omdat ze niet ontregeld raken, preciezer zijn en vaak een geheugen hebben waardoor dit hulpmiddel bijvoorbeeld de vochtigheidsgraad ’s nachts kan regelen. Als de vochtigheidsgraad onder 40% zakt transpireert de plant meer. Op zich is dat niet slecht, maar de waterreserves raken dan sneller uitgeput. Dat is geen echt probleem, zolang de kweekruimte schoon is. De lucht kan worden bevochtigd met een luchtbevochtiger, maar een goed afvoersysteem lost het probleem ook vaak op. Let op voor té vochtige lucht. Dan kunnen er grote moeilijkheden ontstaan: groei van schimmels en vertraagde transpiratie die de ontwikkeling van de plant remt. Te veel vochtigheid kan door een plant in de groeiperiode worden verdragen, maar moeilijk door een plant die bloeit. In feite circuleert lucht erg slecht in bloemen. Daarom kunnen schimmels zich daarin goed ontwikkelen, waardoor ze de mooie bloemen van de oogst verpesten. Een te hoge vochtigheidsgraad ontstaat vaak door een slecht afvoersysteem en door gebrek ventilatoren.

8.3 C0²-gehalte
Zoals hiervoor beschreven is CO² een essienteel bestanddeel van het chlorofyl fotosynthese. Zonder CO² kwijnt de plant weg. Buiten bevat de lucht 0,03 – 0,04% CO², of 300 tot 400 delen per miljoen delen (ppm). Die voorraad wordt, dankzij de wind, permanent ververst bij de plant. Binnen verbruikt een plant snel de CO² in de lucht. In kweekruimte vol met planten van 70 cm hoogte is de voorraad CO² na een kwartier uitgeput, tenzij de lucht wordt ververst. Als het CO²-gehalte met een derde is verminderd, stopt de fotosynthese en groet de plant niet meer. Binnen moet het afvoersysteem continu de CO²-voorraad aanvullen, door enerzijds verse lucht met CO² binnen te halen en anderzijds warme, vochtige lucht met te weinig CO² af te voeren.
Koolstofdioxide is zwaarder dan zuurstof. Daardoor bevindt het zich dicht bij de grond . Zwenkventilatoren moeten de lucht mengen zodat het CO² in contact komt met de planten. Als je een gesloten ruimte niet kunstmatig verrijkt met CO², dan moet het afvoer- en ventilatiesystemen overdag permanent werken om de fotosynthese niet af te remmen.
CO² is de moeilijkst te meten parameter. De elektronische apparatuur is erg duur en onbetaalbaar voor een particulier. Er bestaat een chemische meetprocede voor het CO²-gehalte, dat betaalbaar is maar niet voor hergebruik geschikt is.

8.4 Water
Water is leven. Daarom zoekt men ook water op mars. Alle planten, ook de cannabis sativa, bestaan voor zo'n 80 % uit water. Het zal duidelijk zijn dat problemen met de waterhuishouding dan ook belangrijke permanente schade aan de plant kunnen opleveren. Buiten in de volle grond beschikt de plant vaak over een ruime hoeveelheid. Afhankelijk van de kwaliteit en structuur, helpt de aarde om de hoeveelheid vocht te reguleren. Bij de binnenteelt in ( kleine ) potten is de kans groot dat de plant te veel of te weinig water ter beschikking heeft. De risico's binnen zijn dan ook een stuk groter. Daarom moet het water geven ( binnenteelt) met de nodige kennis en zorg gebeuren. De waterbehoefte van de plant is groot maar het grootste gedeelte van het water wordt ook weer uitgescheiden door de plant. Dit gebeurt door verdamping via de bladeren. Een klein deel van alle water blijft achter en wordt gebruikt als bouwsteen. Onderweg naar de 'bouwplaats' heeft het water dan ook nog geholpen bij de opname en transport van voedingszouten en koolhydraten.

De plant beschikt over een perfect biologisch mechanisme om zo efficiënt mogelijk met het beschikbare water om te gaan. Soms slaagt de plant er niet in om het aanbod van en de behoefte aan water goed op elkaar af te stemmen. In bijna alle gevallen komt dit oorzaken van buitenaf: de kweker vergeet water te geven of geeft in zijn enthousiasme juist te veel. Een tekort of teveel aan water betekent wel altijd dat de plant het minder goed doet. In ernstige of langdurige gevallen kan de plant zelfs het loodje leggen. Een tekort aan het water heeft een aantal gevolgen. Omdat water onmisbaar is voor de fotosynthese, zal bij gebrek aan water de snelheid van de fotosynthese in de plant verminderen. Verder zal de plant om zuiniger met de beperkte hoeveelheid water om te gaan de huidmondjes - die op het blad zitten - sluiten. Hierdoor verdampt minder water en hoeft de plant dus ook minder water op te nemen. Een gevolg van het sluiten van de huidmondjes is dat er ook geen CO² meer naar binnen kan. Verder zal bij onvoldoende water de aanvoer van voedingsstoffen uit de grond stagneren. Een gebrek aan deze stoffen betekent een verminderde productie van eiwit. De plant vertoont binnen de kortste keren symptomen van een voedingsgebrek. Het toevoegen van extra meststoffen heeft echter geen zin omdat de plant deze door het watertekort toch niet kan opnemen. De syptomen van een dergelijk voedingsgebrek zijn dus secundair: ze verwijzen naar een ander tekort. Het is dus altijd van groot belang om het primaire tekort van een zieke plant te onderkennen omdat anders de problemen eerder groter dan kleiner worden gemaakt. Een derde gevolg van een watertekort is dat de plant sneller gaat ademhalen. Dit komt omdat de plant veel meer moeite moet doen om het overgebleven water uit de grond los te maken. Dit kost de plant veel energie die dan niet meer gestoken kan worden in de groei en bloei.

Een watertekort herken je aan bladeren:
die slap hangen;
lichter van kleur worden;
ineen schrompelen;
uiteindelijk verdorren.

Het stellen van de juiste diagnose is echter niet zo simpel, want deze symptomen lijken heel veel op de signalen die de plant geeft bij een teveel water. Dit komt om de eenvoudige reden dat in beide gevallen dezelfde biologische processen stagneren. Als je deze symptomen tegenkomt, onderzoek dan altijd of er te veel of juist te weinig water is gegeven. Een teveel aan water heeft bovendien tot gevolg dat de wortels te nat blijven en minder of geen zuurstof meer kunnen opnemen. De wortels zelf worden door het vocht aangetast, verweken en sterven uiteindelijk af. Door het fijne wortelstelsel is de cannabis in dit opzicht heel kwetsbaar. Het duurt een hele tijd voordat plant schade aan haar wortels hersteld heeft en in die periode kan er heel veel zich misgaan. Niet alleen de verloopt de groei minder voorspoedig ook kan deze tot stilstand komen. De plant verliest bovendien heel snel haar vitaliteit en wordt erg kwetsbaar voor ziekten en plagen.

8.5 Ph-waarde
Alvorens verder te gaan ben ik verplicht eerst een toelichting te geven omtrent de PH en EC-waarden. Deze spelen een grote in het wel of niet slagen van je kweek en worden in dit boek dan ook keer op keer weer besproken. Enig inzicht is dus van belang zodat je begrijpt wat PH en EC je werkelijk te vertellen hebben. Voor de groei van alle leven is de juiste zuurgraad van groeimedium, water en meststoffen zeer belangrijk. De zuurgraad bepaalt namelijk ( de kwaliteit van ) het bacteriëleven en de stofwisseling van de plant. Bacteriën, die belangrijk zijn voor het omzetten van meststoffen in – voor de plant – opneembare stoffen, gedijen het best in een neutraal milieu. Dus bij een PH van 7. De PH is een maat voor de zuurconcentratie in een oplossing, de afkorting staat voor Potentia Hydrogenii. In feite gaat het om de verhouding negatief en positief geladen water-ionen. De zuurgraad wordt bepaald door het aantal positief geladen ionen. Een vloeistof is neutraal, als het aantal positief en negatief geladen deeltjes elkaar in evenwicht houden. Dit zuur-base evenwicht kan door toevoeging van bepaalde stoffen omslaan naar de zure of naar basische kant. De PH-waarde van een oplossing is dus niets anders dan de concentratie positief geladen ionen in die vloeistof. De positief geladen deeltjes worden uitgedrukt op een PH-schaal die loopt van 0 (zuur) tot 14 (basisch). Een vloeistof met een PH-waarde van 7 noemt men neutraal; niet zuur en ook niet basisch. Deze schaal loopt logaritmisch. Dat wil zeggen: als de PH-waarde met één punt verandert, is de vloeistof een factor 10 zuurder of basischer. In vergelijking met een neutrale vloeistof ( PH-7) is een stof met een PH van 6 tien keer zo zuur een een vloeistof met een PH van 5 honderd keer zo zuur! Bij het mixen van zuren en zouten moet je dus heel goed opletten hoeveel je erbij doet. Het kan snel veel te zijn. Sporenelementen, die de plant in zeer geringe hoeveelheden nodig heeft, worden in water met een hogere PH-waarde gebonden en zijn dan niet meer voor de plant opneembaar. Wat voor de één goed is, bijvoorbeeld voor de wortel is voor de ander – bijvoorbeeld de sporenelementen – minder geschikt. Het is dus zoeken naar een PH-waarde die voor alle deelnemers aan het groeiproces aanvaardbaar is. Het beste is om te werken met water en voedingsoplossingen die licht zuur zijn, met een PH-waarde tussen de 5,5 en 6,5.

Een te lage PH:
In een voedingsoplossing met een PH-waarde van 5 of lager komen elementen als ijzer, mangaan en voornamelijk aluminium in dusdanige hoeveelheden beschikbaar dat ze tot vergiftiging van de plant leiden. Om dat te voorkomen moet een voedings oplossing een PH-waarde hebben van minstens 5,6. Alvorens voedingswater aan de planten wprdt gegeven meet je de PH van dat water en pas je diezonodig aan. De PH van gietwater kan verhoogd worden door kali-loog aan het water toe te voegen.

Een te hoge PH:
Bij een PH-waarde boven de 6,5 worden ijzer, calcium en fosforionen gebonden. Deze stoffen zijn feitelijk wel aanwezig in de voedingsoplossing, maar niet beschikbaar! De gevolgen ven een dergelijk gebrek zijn zeer ingrijpend en verminderen de ontwikkeling en groei, en daarmee de opbrengst van de plant. Voedingswater met een PH-waarde van 6,5 of hoger moet daarom verlaagd worden door er in de groei verdund salpeterzuur en in de bloei verdund fosforzuur bij te doen. Deze middelen zijn te koop in de growshop. Wees zuinig met dit goedje: een heel klein beetje is vaak genoeg. Meet na toevoeging van een PH-verhogend/verlagend middel opnieuw het voedingswater om er zeker van te zijn dat de PH dan goed is. Bedenk dat EC en PH alles met elkaar te maken hebben. Een verhoging van EC veroorzaakt (door het zuur) een verlaging van de PH. Bij verandering van de EC moet dan ook de hoeveelheid zuur worden aangepast.

Een goede PH –meter zijn onmisbaar om het voedingswater aan te maken en controles tijdens de kweek uit te kunnen voeren. Met een PH-meter kan de zuurgraad van een oplossing nauwkeurig bepaald worden.

8.6 EC-waarde
De afkorting EC staat voor Electric Conductivity ( Electrische Geleidbaarheid ).
Planten die een snelle groei en bloei doormaken, moeten over voldoende voedingsstoffen kunnen beschikken. Voor het meten van de voedingswaarde ( eigenlijk de voedingszouten ) maak je gebruik van een EC-meter. Eenduidige (streef-) waarde voor het aantal voedingszouten in een oplossing zijn moeilijk te geven. De EC is onder meer afhankelijk van de grootte van de plant, de hoeveelheid water, de verlichting, de natuurlijke EC van je leidingwater, temperatuur en vochtigheid in de ruimte. Dit alles bepaalt hoeveel water en voeding een plant nodig heeft. Hiernaast speelt de voorkeur van de kweker een rol. Er zijn kwekers die met een ‘onverantwoord’ sterke voedingsoplossing prima resultaten boeken en andere kwekers die met een ‘zwakke’oplossing ook een uitstekende oogst weten te binnen halen. In het algemeen kan gesteld worden dat een voedingsoplossing voor jonge planten een EC heeft van 1,2 tot 1,5 mS en dat die mag oplopen tot 3,0 mS voor volwassen planten. Als de natuurlijke EC van het leidingwater veel afwijkt van gemiddeldes waarmee de diverse merken meststoffen werken (men gaat uit van een gemiddelde EC van 0,5 á 0,6), dan moet dit verschil in EC worden bijgeregeld. De lokale growshop kan adviseren hoe je te werk moet gaan in jouw woonplaats. In elke regio is het leidingwater verschillend van EC-waarde.


Maatbekers
voor het naukeurig doseren van meststoffen en dergelijke heb je een complete set maatbekers nodig met een inhoud van 25, 50, 100, 250, 500 en 1000 cc . Koop een trechter om knoeien te voorkomen.

Volgende
Vorige
aaaaaaaaaaaaiii