Deze pagina: 6.Installatie Electriciteit

6. Electriciteit
6.1 Electriciteit Huisinstallatie
6.3 Methoden van beveiligen

6. Electriciteit
Als je zelf geen verstand van electriciteit hebt kun je beter laten aanleggen door een vertrouwd iemand die er wel verstand van heeft. De elektrische installatie moet aan de normen voldoen. De basisregel voor verlichting is: veiligheid voor alles! Gebruik electriciteitsdraden die geschikt zijn voor het vermogen van de lampen.Voor lampen van 400 en 600 W moeten kabels met een doorsnede van 1,5 mm gebruikt worden. Elke veilige wiet binnenteelt heeft een aardverbinding nodig. Gebruik geen hangende of slepende kabels. Vroeg of laat blijf je eraan haken of struikel je erover. Bevestig ze op de muren met plastic klemmen.Het vermogen van je elektriciteitsabonnement en –aansluiting moet aangepast zijn aan de energiebehoeften. Geef de voorkeur aan een rechtstreekse kabel in plaats van aan een opeenvolging van korte verlengsnoeren. Een aardleiding is belangrijk. Een binnenteelt is een plek waar water en electriciteit zonder risico’s samen aanwezig moeten kunnen zijn. De hoeveelheid electriciteit die je nodig hebt ligt natuurlijk aan het aantal lampen dat je gaat gebruiken. Ideaal is om minstens één of twee groepen alleen voor je verlichting te reserveren, je kunt op een normale groep van 16 Ampére, 6 lampen x400 W HPS of 4 lampen x600 W HPS kwijt raken. Als je met veel lampen werkt zul je rekening moeten houden met de rest houden van je stroomgebruik in huis.

Schematisch overzicht van de elektrische installatie:
De eerste groep reserveren we voor de randapparatuur die weinig vermogen vragen zoals de zwenkventilators, verwarmingselement en tijdklokken.
De tweede groep houden we gereserveerd voor alles wat met ventilatie te maken heeft, zoals de afzuiginstallatie en de inblaas.
De derde groep houden we gereserveerd voor uitsluitend de lampen, geef dus de verlichting altijd een aparte groep.
Als je slechts twee groepen ter beschikking hebt reserveer dan altijd een groep voor de verlichting en sluit de rest van de apparatuur op de tweede aan. Slechts één groep ter beschikking is onvoldoende, en dus gevaarlijk

De meeste veilige manier om je lampen aan te sturen is met behulp van een relais of magneetschakelaar. Dit is een apparaat dat de hoge stroom die een lamp trekt op een veilige manier kan in- en uitschakelen. Schakel dus altijd je lampen via een relais.

6.1 Electriciteit huisinstallatie
Deze hoofdstuk geeft de algemene opbouw van de aansluit- en verdeelinrichting van een electrische installatie in een woonhuis. Deze bestaat uit de volgende delen:
voedingskabel met hoofdbeveiliging
kwh-meter met meterleiding
hoofdschakelaar
verdeelkast met eindgroepen
aardingsinstallatie.

Hoofdbeveiliging
In de meterkast komt de voedingskabel binnen, waarmee de verbruiker door middel van een stel smeltveiligheden op het distributienet wordt aangesloten. De smeltveiligheden voorkomen dat een storing in de huisinstallatie zich kan voortzetten in het verdeelnet. Omdat in huisinstallaties de eindgroepen mogen worden beveiligd met een aantal smeltveiligheden of installatie-automaten met een nominale stroom van ten hoogste 16 A moet de hoofdbeveiliging i.v.m. selectiviteit minstens 25 A zijn.

Kwh-meter
Na de hoofdbeveiliging wordt de kwh-meter aangesloten. Deze is gemonteerd op het meterbord en meet de energie welke de verbruiker opneemt. Een telwerk in de meter registreert de opgenomen energie in kilowattuur (kwh). In heel veel gevallen heeft de kwh-meter een dubbel telwerk; een voor het dagtarief en een voor het goedkopere nachttarief. De kwh-meter wordt evenals de hoofdbeveiliging door het elektriciteitsbedrijf aangesloten

Hoofdschakelaar
Na de kwh-meter wordt de hoofdschakelaar aangebracht, waarmee de verdeelinrichting spanningsloos gemaakt kan worden. Bij een eenfase-installatie kan de hoofdschakelaar onder bepaalde omstandigheden worden weggelaten.

Eindgroepen
In de groepenkast worden de aansluitpunten over verschillende eindgroepen verdeeld. Bij een huisinstallatie betekent dit, dat de eindgroep tenminste bestaat uit een fase en een nul.
Voor ruimten waar aarding verplicht is bijvoorbeeld vochtige ruimtes ( kweekruimte, douche en keuken ), wordt dan aan de eindgroep nog een beschermingsleiding toegevoegd. Beschermingsleidingen moeten zo zijn uitgevoerd, dat hierin geen onderbrekingen kunnen voorkomen. Smeltveiligheden en schakelaars mogen om deze reden niet in de beschermingsleiding voorkomen. De eindgroepen van een huisinstallatie bevatten een groepsbeveiliging tegen overbelasting en een groepschakelaar om de groep spanningsloos te maken . Bepaalde eindgroepen moeten achter een 30 mA-aardlekschakelaar aangesloten worden.

Aarding in huisinstallaties
Volgens NEN 1010 moeten in een electrische installatie in principe alle metalen gestellen met een beschermingsleiding ( hps lampen, transformators ) met een beschermingscontact worden uitgevoerd.
Hoofdaardrail: in elke installatie moet een hoofdaardrail/hoofdaardklem aanwezig zijn, waarop aardleidingen, hoofdvereffeningsleidingen en beschermingsleidingen moeten worden aangesloten
aardleidingen: Deze leidingen verbinden de aardelektrode met de hoofdaardrail en zijn in huisinstallaties doorgaans niet in de grond gelegd.
Hoofdvereffeningsleiding: Metalen buizen t.b.v. water, gas en verwarming, en andere metalen leidingstelsels moeten op de plaats waar ze het gebouw binnen komen d.m.v. hoofdvereffeningsleidingen met de hoofdaardrail of klem worden verbonden.


6.3 Methoden van beveiligen
Aardlekschakelaar
Om in alle gevallen het aanrakingsgevaar te voorkomen of te verminderen, wordt de aardlekschakelaar toegepast. Deze beveiliging werkt volgens het differentiaalstroomprincipe. Bij een goed functioneren van een installatie, zal de stroom in de toevoerleiding gelijk en tegengesteld zijn aan die in de retourleiding. Indien een fout - of lekstroom naar aarde optreedt, is dit evenwicht verstoord, zodat er een resulterend magneetveld over blijft. Dit magneetveld zorgt voor aanspreken van de beveiliging.

Smeltveiligheid
Een smeltveiligheid moet de stroomketen onderbreken voordat de stroom in de te beveiligen leiding of in het toestel een toelaatbare warmte-ontwikkeling kan veroorzaken. Het doel is dan het tijdig afschakelen van het foutcircuit. Het is een opzettelijk aangebrachte verzwakking van de stroomketen waardoor bij overstromen de beveiliging doorsmelt; dit voorkomt dat de leiding of het toestel beschadigd wordt. Door het verwisselen van de smeltpatronen wordt de stroomketen hersteld. D-patronen zijn smeltveiligheden bestemd voor huishoudelijke en algemeen gebruik. Verwisseling van de beveiliging kan zonder speciaal gereedschap en door ondeskundigen geschieden met een minimumkans op aanrakingsgevaar. De grootte van de nominale stroom van de D-patroon is te herkennen aan de kleur van de melderknop.


Installatie-automaten
Installatie-automaten zijn beveiligingsschakelaars die tot taak hebben de stroomketen veilig te onderbreken bij overbelasting. De automaat moet in werking treden bij geringe maar langdurige overbelastingsstromen, terwijl echter kortsluitstromen in korte tijd afgeschakeld moeten worden. Om dit mogelijk te maken wordt een thermisch en elektromagnetisch stelsel mechanisch gekoppeld aan een uitschakelmechanisme. De nominale stromen van installatie-automaten komen overeen met de waarden van smeltveiligheden.

Relais (klok)
Een relais wordt bijvoorbeeld gebruikt als we een grote stroom moeten schakelen. Het schakelen van het relais zelf gebeurt met een kleine stroom. Een andere toepassing van een relais is het op afstand inschakelen van een apparaat of toestel. Er is om het relais te schakelen een in-drukknop en een uit-knop nodig.
Een relais is een schakelaar die op afstand wordt bediend. Met een relais kunnen we:
Meer schakelingen tegelijk doen;
Met een kleine stroom een grote stroom schakelen;
Een gevaarlijke spanning schakelen met een ongevaarlijke spanning;
Op lange afstand het toestel in-/of uitschakelen.

Transformator
Een transformator ( veelal afgekort tot trafo (NL) of transfo ( B )) is een statische ( zonder bewegende delen ) elektrische apparaat, bestaande uit magnetische gekoppelde spoelen.
Met een transformator kun je een wisselspanning omzetten in een kleinere of grotere wisselspanning. In dit geval ( binnenteelt ) zorgt ervoor dat de transformator de 220 volt wisselspanning uit het stopcontact omgezet wordt naar een juiste gestabiliseerde spanning met de juiste frequentie ( golflengte ) waardoor je hps lampen goed functioneren.

Draden
In huisinstallaties wordt voor het verbinden van lichtaansluitpunten (HPS ) gebruik gemaakt van draden in buis. De functie van de draden is te herkennen aan hun kleur. De kleuren zijn genormaliseerd en gelden voor vaste en verplaatsbare leidingen. Ook de doorsnede van de draden is aan voorschriften gebonden. Voor installaties in woningen geldt voor draden in buis aangebracht en beveiligd met een smeltveiligheid van ten hoogste 16A.

Volgende
Vorige
aaaaaaaaaaaaiii